Direct naar de inhoud
Alle modellen

Model

De vijf ontwerpelementen

Elke werkvorm bestaat uit dezelfde vijf knoppen — en als je die kent, kun je er zelf een ontwerpen.

De vijf ontwerpelementen van een werkvormUitnodigingde vraagRuimtehoe staatVerdelingwie krijgtGroepenalleen, duo,Stappenvolgorde enelke werkvormvijf knoppen

Waarvoor gebruik je het?

Begrijpen waarom een werkvorm doet wat hij doet, een bestaande vorm aanpassen aan jouw situatie, of zelf iets nieuws bouwen dat werkt.

Waarom dit model

Een werkvorm lijkt vaak een trucje: je doet de stappen en er komt iets uit. Maar achter elke werkvorm zitten vijf keuzes, en samen bepalen die wat er in de groep gebeurt. Wie die vijf herkent, kan een vorm aanpassen zonder hem te slopen — en kan zien waarom een vorm die op papier goed leek, in de praktijk niet werkte.

Het model beschrijft niet alleen werkvormen die iets losmaken, maar ook de vormen die we zonder nadenken gebruiken. Een presentatie is ook een werkvorm; hij scoort alleen op alle vijf de elementen zo dat er één persoon praat en de rest luistert.

1. De uitnodiging

De vraag waarmee je opent. Dit is het element waar je de meeste voorbereidingstijd in stopt en waar het meestal misgaat: te klein en er valt niets te bedenken, te groot en niemand weet waar te beginnen.

Een goede uitnodiging is precies genoeg afgebakend om richting te geven en open genoeg om te verrassen. Toets hem: kun je er tien heel verschillende antwoorden op geven? Kun je er duizend geven?

2. Ruimte en materiaal

Hoe de ruimte is ingericht en wat er op tafel ligt. Staan of zitten, tafels of geen tafels, papier of niets — dit bepaalt meer dan je denkt.

Tafels in een ruimte worden gebruikt, ook als je ze niet nodig hebt. Wil je dat mensen bewegen en elkaar opzoeken, haal ze dan weg voordat de groep binnenkomt.

3. Verdeling van de deelname

Hoeveel tijd en gelegenheid krijgt ieder om bij te dragen? Bij een presentatie is dat 99 procent voor één persoon; bij 1-2-4-Alle krijgt iedereen evenveel.

Dit is het element dat het duidelijkst bepaalt wie er in een zaal gehoord wordt — en dus welke kennis er boven tafel komt en welke niet.

4. Samenstelling van de groepen

Alleen, in tweetallen, in viertallen, plenair — en in welke volgorde. Veel sterke werkvormen schalen stapsgewijs op: eerst individueel, dan klein, dan groot.

Die opbouw is geen vormvereiste maar bescherming: wie eerst in zijn eentje heeft nagedacht en het daarna in een tweetal heeft getoetst, durft het in de grote groep te zeggen.

5. Stappenplan en tijdsverdeling

De volgorde van de stappen en hoeveel tijd elke stap krijgt. De tijdvakken zijn vaak kort, en dat is met opzet: krapte dwingt tot focus.

De verleiding om te verlengen omdat het zo goed loopt, is groot. Beter is een tweede ronde van dezelfde vorm dan één opgerekte ronde — dat levert verdieping op in plaats van uitwaaiering.

Werkvormen aaneenrijgen

Werkvormen worden sterker als je ze achter elkaar zet, waarbij de opbrengst van de ene de invoer is voor de volgende. Eerst zichtbaar maken wat er in de weg zit, dan bedenken hoe het anders kan, dan bepalen wat ieder zelf morgen doet, en tot slot elkaar adviseren over hoe je dat aanpakt.

Zo'n keten hoeft niet lang te zijn. Twee vormen achter elkaar met een heldere overgang doen meer dan vijf losse werkvormen op een dag.

Vragen om te stellen

  • Welk van de vijf elementen bepaalt bij deze werkvorm het resultaat?
  • Wat gebeurt er als ik de groepssamenstelling verander maar de rest gelijk houd?
  • Is mijn uitnodiging te klein of te groot?

Werkvormen met dit model

Klopt er iets niet, of wil je iets kwijt over deze pagina?