Direct naar de inhoud
Alle werkvormen

Werkvorm

Brainstorm met voorwerpen

Vijftien eigenschappen van een willekeurig voorwerp worden vijftien nieuwe invalshoeken.

Tijd
45–75 min
Groepsgrootte
4–20
Ruimte
Gewoon lokaal
Energie
Rustig

Wanneer zet je dit in?

Als een brainstorm vastloopt in dezelfde vijf ideeën en je een uitputtend overzicht wilt.

Voorbereiding

  • Verzamel een set uiteenlopende voorwerpen — één per deelnemer, plus reserve
  • Formuleer de brainstormvraag, maar houd die nog even voor je

Zo doe je het

  1. 1

    Gebruik als input een set plaatjes, foto's of handzame dingen. Iets uit de natuur is leuk, maar speelgoed, gadgets en kindertekeningen werken net zo goed.

  2. 2

    Laat iedereen een kaart, foto of ding pakken. Je kunt laten kiezen, maar uitdelen of grabbelen geeft een verrassingseffect.

  3. 3

    Vraag de deelnemers rustig te gaan zitten, bij voorkeur in afzondering, en het object goed te bestuderen. Geef iedereen een lijst en vraag minstens vijftien eigenschappen van het ding op te schrijven.

  4. 4

    Leg nu pas de brainstormvraag uit. Vraag de deelnemers voor elke eigenschap een vertaling te maken naar die vraag: hoe kunnen we die eigenschap benutten om…? Hoe zie je deze eigenschap terug in…?

  5. 5

    Geef ruimte om ook 'overige' inzichten op te schrijven. Kan een eigenschap echt niet vertaald worden, dan mag die overgeslagen worden.

  6. 6

    Verzamel de opbrengst door deelnemers om beurten hun beste idee te laten delen. Doe eventueel een tweede en derde ronde, waarbij al genoemde ideeën niet herhaald worden.

Zo zeg je het

De instructie zoals je hem uitspreekt. Maak er je eigen woorden van, maar houd de volgorde aan: eerst in beweging, dan pas de details.

Eerst: "Pak allemaal een voorwerp uit de doos — niet kijken, gewoon grabbelen. Ga ergens rustig zitten en bestudeer het ding. Schrijf minstens vijftien eigenschappen op. Alles telt: kleur, gewicht, waar het van gemaakt is, wat het doet, hoe het ruikt. Vijftien. Nog even niet vragen waarom." Pas daarna: "En nu de vraag waar het echt om gaat: …"

Nabespreken

Zonder nabespreking blijft een werkvorm een spelletje. Kies twee of drie vragen; ze hoeven niet allemaal.

  • Welke eigenschap leverde het meest onverwachte idee op?
  • Welke eigenschap kon je niet vertalen, en waarom niet?
  • Wat zie je nu dat je aan het begin niet zag?

Wat er mis kan gaan

Mensen komen niet aan vijftien eigenschappen.

Geef categorieën als hulp: uiterlijk, materiaal, functie, gevoel, geschiedenis, associatie. Vijftien lijkt veel maar is haalbaar.

De groep kent de brainstormvraag al vooraf.

Dan verlies je het effect. Kun je het niet meer geheim houden, laat mensen dan expres eigenschappen opschrijven die níets met de vraag te maken hebben.

Variaties

  • Laat deelnemers halverwege van voorwerp wisselen, herhaal de oefening en vergelijk daarna de antwoorden in een top drie.

In de klas

Geschikt voor groep 6 t/m 8

Werkt goed bij techniek en ontwerpen. Laat leerlingen een voorwerp uit hun tas pakken; de eigenschappen opschrijven is meteen een woordenschatoefening.

Past hier ook bij

Praktijkervaringen & Facilitatietips

Ervaringen en aanbevelingen van trainers, docenten en facilitators die deze werkvorm hebben ingezet.

Ervaringen laden...

Klopt er iets niet, of wil je iets kwijt over deze pagina?